Het edelhert (Cervus elaphus) is Nederlands grootste hertachtige. In tegenstelling tot het ree, dat in bijna geheel Nederland voorkomt, leeft het Edelhert alleen op de Veluwe, in de Oostvaardersplassen en het Weerterbos. Daarnaast worden soms edelherten in gebieden langs de Duitse grens waargenomen. Een hinde (vrouwelijk dier) weegt gemiddeld tussen de 55 – 100 kg, en een hert (mannelijk dier) tussen de 95 – 200 kg. Alleen het hert draagt een gewei. Dit gewei wordt jaarlijks afgeworpen en opnieuw opgezet. Edelherten leven in roedels (groepen).
Meer informatie over het edelhert kunt u vinden op:
de website van de Zoogdiervereniging en
de website Verspreidingsatlas zoogdieren.
Ziekten Algemeen
Onderzoeksresultaten
- Eindbericht onderzoek naar covid bij hertachtigen in Nederland (13/10/2023)
- Op zoek naar de natuurlijke bronnen van zoönotische Anaplasma en Babesia (05/10/2020)
- Edelhert met huidafwijking (28/02/2017)
Overige berichten
- Italië: Eerste uitbraak van epizootic hemorrhagic disease in Europa (06/12/2022)
- Wintersterfte edelherten in de Schotse Hooglanden door onderkoeling (04/05/2021)
- Noorwegen: CWD bij edelhert vastgesteld (18/11/2017)
- Misvormde hoeven bij wapiti’s in Amerika (20/01/2016)
- Schmallenbergvirus en wilde dieren (27/01/2012)
Documenten en Publicaties
- Op zoek naar de natuurlijke bronnen van zoönotische Anaplasma en Babesia. Sprong, H. & M. Montizaan. (2021) Het edelhert, zomer 2021(2), p22-24. 2021 zomer nr 2 EDELHERT Anaplasma en Babesiose natuurlijke bronnen zoektocht-2
- Rundertuberculose bij edelherten. Montizaan, M. (2019). Het Edelhert, 2019. 54 (lente): 18-19
- Chronic Wasting Disease, Een fatale ziekte bij hertachtigen. Montizaan, M. (2018). Het Edelhert 2018, 53 (zomer): 26-27
- Hygiënemaatregelen bij ontweiden van grofwild: Q-koorts ontweiden grofwild - juli 2017
- Edelhert met huidafwijking. M. Montizaan (2017). Het Edelhert 2017, 52 (lente): 33-35
- Q-koorts en grofwild. B. van Rotterdam, M. Langelaar, J.van der Giessen, H.J. Roest & A. Gröne (2010). De Nederlandse Jager 2010, (3): 42 - 43