Ratten- en muizengif komt op grote schaal terecht in diersoorten waarvoor deze stoffen niet bedoeld zijn, zoals vossen, marters, egels, roofvogels en uilen. Sinds de aanscherping van het beleid in 2023 is geen blijvende daling te zien van deze doorvergiftiging. Dit blijkt uit onderzoek naar doorvergiftiging van ratten- en muizengif (formeel rodenticiden genoemd) door de vakgroep toxicologie van WUR, Dutch Wildlife Health Centre (DWHC) en CLM Onderzoek en Advies.
Ratten- en muizengif mag alleen door professionele plaagdierbestrijders worden toegepast, nadat niet-chemische maatregelen (bijvoorbeeld het plaatsen van klapvallen) binnen het integraal plaagmanagement (IPM) zijn uitgevoerd en dit onvoldoende tegen de plaag heeft geholpen. Sinds 2023 gelden voorschriften voor gebruik in gebouwen, moeten plaagdierbeheersers zijn opgeleid en moet hun bedrijf beschikken over een certificaat. Doel van de regels is onder meer vermindering van (door)vergiftiging van mens en dier en het voorkomen van resistentie. Om te weten of deze regels tegen doorvergiftiging effectief zijn, heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat opnieuw onderzoek laten uitvoeren, in aanvulling op een eerder onderzoek uit 2019.
Ratten- en muizengif belemmert de bloedstolling en leidt zo tot interne bloedingen, ook in niet-doelsoorten. Niet-doelsoorten zoals slakken, zangvogels, veld- en spitsmuizen en wezels kunnen gif binnenkrijgen door te eten uit lokdozen met ratten- en muizengif. Ook roofdieren krijgen het gif binnen, als zij ratten, muizen of deze niet-doelsoorten eten. Dan is er sprake van doorvergiftiging (zie infographic 1). Dat veroorzaakt dierenleed, en de interne bloedingen vergroten de kans op een voortijdige dood.
In dit onderzoek is in alle vossen (n=13) en vrijwel alle steenmarters (n=218) ratten- en muizengif gevonden. In 84% van de egels (n=86) is één of meer van deze stoffen gevonden, en in 58 tot 100% van de roofvogels en uilen (zie infographic 1). Vergeleken met het onderzoek uit 2019 is de mate van doorvergiftiging niet verminderd. Bovendien zijn de concentraties niet blijvend gedaald tussen 2020-2022 en 2024-2025.
De aangescherpte regels voor IPM hebben dus niet geleid tot een verminderde doorvergiftiging van de onderzochte soorten. Dit geldt voor zowel rurale als stedelijke gebieden. Om doorvergiftiging te verminderen is betere implementatie en/of aanscherping van beleid noodzakelijk. Daarnaast is het voortzetten van de monitoring essentieel om toekomstige trends in blootstelling vast te kunnen stellen.
Voor dit onderzoek hebben de onderzoekers gebruik gemaakt van monsters van dieren die zijn ingezonden voor pathologisch onderzoek. Ook is samengewerkt met egelopvangen en zijn steenmarters via weidevogelbeheer binnengekomen. Voor dit onderzoek zijn geen dieren gedood.

Infographic 1. Samenvatting van de resultaten van het onderzoek naar doorvergiftiging van rodenticiden in beeld (bron: CLM).