In Europa kan onderscheid gemaakt worden tussen het ‘klassieke’ rabiësvirus dat wereldwijd voorkomt, onder andere bij honden en vossen en het European Bat Lyssavirus (EBLV) dat bij vleermuizen voorkomt.

In het tijdschrift Natura nr 1, 2021 van de KNNV (Vereniging voor veldbiologie), staat een uitgebreid, informatief artikel over Rabiës bij vleermuizen geschreven door Peter Lina.  Klik hier om het artikel ‘Rabiës bij vleermuizen, Natura 1 2021’ te downloaden.

Daarnaast vermelden we hier de link naar de RIVM-website: Kat vangt vleermuis: is er een risico op rabiës? 

 

Ziekteverwekker

Rabiës is een dodelijke ziekte die veroorzaakt door infectie met een virus dat behoort tot de lyssavirussen. Alle zoogdiersoorten kunnen besmet raken met rabiës.

 

Klassieke rabiës komt wereldwijd het meest voor en wordt vaak aangeduid als hondenrabiës, omdat het hoofdzakelijk bij honden gezien wordt. Honden zijn verantwoordelijk voor de meerderheid van de menselijke infecties en worden beschouwd als de reservoirsoort voor deze virusvorm, aangezien overdracht van hond naar hond het virus in omloop houdt.

 

Er zijn vele varianten van het virus herkend en, hoewel ze niet soort specifiek zijn, worden ze vaak vernoemd naar de soort die fungeert als het belangrijkste reservoir en de vector van dat specifieke virus. Zo veroorzaakt het Europese vleermuislyssavirus rabiës bij vleermuizen; maar kunnen deze ook mensen infecteren.

Gevoelige diersoorten

Rabiësvirussen worden voornamelijk gevonden in carnivoren en vleermuizen, hoewel in theorie elk warmbloedig zoogdier besmet kan raken. De vatbaarheid voor een rabiësinfectie varieert per diersoort. Bij hondachtigen en wasberen is de vatbaarheid hoog; bij katachtigen, marterachtigen, hoefdieren, en primaten is dit gemiddeld; en bij haasachtigen, insectivoren, en knaagdieren is dit laag.

 

Hondachtigen vormen het reservoir van het klassieke rabiësvirus. Naast de gedomesticeerde hond (Canis familiaris) kunnen verschillende Europese wilde diersoorten besmet raken en als vector optreden voor deze ziekte, waaronder de rode vos (Vulpes vulpes) in landen als Roemenië en Bulgarije, en de washond (Nyctereutes procyonoides) in enkele noordelijke landen waaronder de Baltische staten.

 

In tegenstelling tot het klassieke rabiës, dat niet voorkomt bij wilde dieren in Nederland, wordt het Europees vleermuislyssavirus regelmatig aangetroffen bij vleermuizen, met name bij de laatvlieger (Eptesicus serotinus), in Nederland en enkele andere Europese landen.

Symptomen dieren

Er is meestal een lange periode (latentietijd) tussen het moment van besmetting en het ontstaan van klinische verschijnselen. Bij honden is dit meestal tussen de 3 weken en 3 maanden, maar in sommige gevallen kunnen er jaren verstrijken voordat de ziekteverschijnselen zichtbaar zijn. Het virus heeft een sterke affiniteit voor het zenuwstelsel, en de klinische verschijnselen weerspiegelen dit. Hondsdolle dieren kunnen gedragsveranderingen vertonen, zoals toegenomen agressie, verlies van de vluchtreactie bij wilde dieren, en nachtdieren kunnen overdag actief zijn. Veranderde vocalisatie, pica (het innemen van vreemde voorwerpen) en overmatige aanmaak van speeksel worden ook gezien. Een wankele manier van lopen kan ontstaan, en progressieve verlamming treedt typisch op en leidt uiteindelijk tot de dood.

Besmetting dieren

De voornaamste manier van besmetting is via speeksel van een geïnfecteerd dieren, meestal via bijtwonden. De manier waarop het virus het zenuwstelsel aantast, zorgt er vaak voor dat dieren agressief gedrag vertonen, waardoor de kans op een beet toeneemt. Minder vaak kan het virus worden overgedragen als open wonden of blootgestelde slijmvliezen in contact komen met besmet speeksel of zenuwweefsel.

 

In zeer zeldzame gevallen, bijvoorbeeld in laboratoriumomgevingen of grote vleermuizenkolonies, kan virusoverdracht plaatsvinden door inademing van geaeroliseerd besmet speeksel (verneveld tot fijne deeltjes).

Symptomen mens

De meeste menselijke rabiësbesmettingen zijn het gevolg van een beet door een hondsdol dier; wereldwijd zijn honden het vaakst verantwoordelijk voor de overdracht van deze ziekte op mensen. Er bestaan echter nationale verschillen: in de Verenigde Staten zijn bijvoorbeeld hondsdolle katten en wasberen veelvoorkomende bronnen van besmetting bij mensen, terwijl in Europa de wijdverspreide vleermuizenlyssavirussen vaak een rol spelen bij menselijke rabiësgevallen wanneer mensen door besmette vleermuizen zijn gebeten.

Besmetting mensen

De eerste tekenen van infectie bij mensen kunnen vaag zijn en omvatten koorts en hoofdpijn. Naarmate de ziekte vordert, kunnen verschijnselen gerelateerd aan de aanwezigheid van het virus in zenuwweefsel optreden, zoals veranderede mentale toestanden (verwardheid, depressie, slaperigheid, agitatie), gezichtsverlamming en uiteindelijk progressieve verlamming die tot de dood leidt.

Geografische verspreiding

Hondsdolheid komt voor op elk continent, behalve Antarctica, en is endemisch in veel landen. Er circuleren drie genotypen van lysavirussen in Europa: de hond-, vos-, en wasbeerhondstammen (genotype 1) en twee groepen vleermuislyssavirussen (Europees vleermuislyssavirus 1 [genotype 5] en Europees vleermuislyssavirus 2 [genotype 6]).

 

Dankzij uitgebreide vaccinatiecampagnes en strikte grenscontroles zijn verschillende landen, zoals het Verenigd Koninkrijk en Ierland Nederland, België, en Luxemburg, erin geslaagd de klassieke vorm van het virus uit te bannen. Wanneer er de afgelopen jaren geen gevallen zijn gedocumenteerd en passende surveillancemaatregelen worden gehanteerd, worden deze landen internationaal erkend als vrij van de ziekte.

Voorzorgsmaatregelen

Op nationaal niveau kunnen overheden vaccinatieprogramma’s implementeren bij wilde reservoirdieren en moeten zij strikte controles op grensbewegingen/import waarborgen. Op individueel niveau worden honden- en fretteneigenaren aangemoedigd vaccinatie met hun dierenartsen te bespreken.

 

Mensen die een hoog risico lopen op blootstelling aan besmette dieren of kadavers (bijv. laboratorium- en slachthuismedewerkers, en reizigers naar gebieden waar rabiës endemisch is en er een grote populatie zwerfhonden is), dienen hun gezondheidsadviseurs te raadplegen, aangezien vaccinatie tegen rabiës kan worden aanbevolen. Persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden gedragen om snijwonden en beten te voorkomen, en om de slijmvliezen van ogen en mond te beschermen.

 

Bronnen

Cliquet, F., Picard-Meyer, E., & Robardet, E. (2014). Rabies in Europe: what are the risks?. Expert review of anti-infective therapy12(8), 905-908.

Johnson, N., Freuling, C., Vos, A., Un, H., Valtchovski, R., Turcitu, M., … & Fooks, A. R. (2008). Epidemiology of rabies in Southeast Europe. Developments in biologicals131, 189-198.

Smith, G. C., Thulke, H. H., Fooks, A. R., Artois, M., Macdonald, D. W., Eisinger, D., & Selhorst, T. (2008). What is the future of wildlife rabies control in Europe. Dev. Biol131, 283-289.