Het DWHC heeft samen met Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de Clungene-sneltest voor het aantonen van vogelgriep bij dood gevonden wilde vogels. De resultaten van de sneltest zijn vergeleken met de standaard PCR-diagnostiek, die momenteel wordt gebruikt voor betrouwbare bevestiging van besmettingen met vogelgriep.
Uit het onderzoek blijkt dat de sneltest bij wilde vogels beperkt betrouwbaar is. Hoewel positieve uitslagen vaak correct blijken, mist de test een aanzienlijk deel van de daadwerkelijk besmette vogels. De diagnostische sensitiviteit van de sneltest in vergelijking met PCR is 33% voor cloaca-swabs en 38% voor trachea-swabs. Dit betekent dat voor >60-70% van de PCR-positieve dode wilde vogels de diagnose van een sneltest voor het aantonen van vogelgriep niet overeenkomt met de resultaten van de PCR voor het virus. Hierdoor bestaat het risico dat besmette dieren onterecht negatief testen op vogelgriep.

Grauwe Gans. Fotograaf: Dick Pasman
Er zijn meerdere mogelijke oorzaken voor deze lagere betrouwbaarheid. Het kan zijn dat de virusconcentraties in dode wilde vogels lager is dan in experimenteel geïnfecteerd pluimvee: duur en niveau van virusuitscheiding kan afhankelijk zijn van de virusstam en de vogelsoort. Verder kunnen de omstandigheden invloed hebben (aantal dagen dood, omgevingstemperatuur, temperatuur tijdens opslag/transport).
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geadviseerd om de sneltest niet te gebruiken bij wilde vogels. Sneltesten kunnen mogelijk een aanvullende rol spelen in het veld, maar zijn momenteel onvoldoende geschikt als zelfstandige diagnostische methode.